[Oicha]

Een dag van bloed en tranen

24/09/2016 - 14:30

Om zeven uur in de ochtend wordt de wijk Tenambo in Oicha opgeschrikt door geweerschoten. In een mum van tijd lopen Tenambo en de omliggende wijken leeg. Negen burgers worden in hun vlucht neergehaald. De aanval duurde amper tien minuten, en leverde hen een tiental geiten op. Al zijn die geiten zeker niet het motief voor de aanval geweest.

11 juli - Een dag van bloed en tranen11 juli - Een dag van bloed en tranen11 juli - Een dag van bloed en tranen11 juli - Een dag van bloed en tranen

11 juli'16 - Dagelijks doe ik Beni-Oicha aan. Het is ondertussen toch al meer dan een jaar geleden dat Oicha werd aangevallen, maar gezien het gevoelige thema van Beni Files, leek het me toch verstandiger om de interviews niet te dicht bij mijn slaapplaats te oraniseren. Het is dus in Beni dat ik het slechte nieuws ontvang, via mijn vrienden in Oicha. Wat er precies gebeurd is, is op dat moment nog onduidelijk. Zoals elke dag pikt Jean Baptiste van CRDH (Convention pour le respect des droits de l’homme) me op en rijden we met de moto naar Oicha. Zoals elke dag, maar dit keer met een kleiner hartje. Het gevaar mag dan wel geweken zijn, de chaos en de verslagenheid zullen ongetwijfeld groot zijn. Het is al na tien uur wanneer we aankomen. Een stroom mensen beweegt de andere richting uit. Heel wat mensen hebben zich langs de kant van de weg, in de berm, gezet. Ze lijken de situatie af te wachten. Jean Baptiste wil zelf liever niet naar de wijk van de aanval gaan. ‘Ik heb al te veel lijken gezien. Ik kan er niet meer tegen.’ Jean-Paul, zijn chef, die zelf al vroeg ter plaatse was, pikt me op. ‘We hebben negen slachtoffers kunnen identificeren. Ze werden doodgeschoten, dit keer geen machetes. De rebellen hadden geen schrik om gehoord te worden.’, vertelt hij me in een korte stand van zaken. ‘Hou je camera bij de hand. Nu zal je met eigen ogen zien wat hier wordt aangericht. Toon maar aan de wereld dat we dit niet uit onze duim zuigen.’. Na de vele ontmoetingen met getuigen en familieleden van de slachtoffers, twijfel ik zeker niet aan de geloofwaardigheid van deze mensen. Ik weet nog steeds niet goed of ik dit wel wil zien, maar geloof ergens wel in het belang ervan.

Een groep mensen staat samengetroept. De kring opent zich wanneer ik dichterbij kom. Mijn twijfel en voorzichtige passen, worden ongeduldig beantwoord. Enkele handen duwen me richting het lichaam van een man van een jaar of 50. ‘Filmez, Madame, filmez!’, beveelt een omstaander me. Het doek dat zijn lichaam nog gedeeltelijk bedekte, wordt weggetrokken. De aanval gebeurde tijdens een fikse regenbui. Ik vermoed dat hij nog snel zijn rubberen laarzen had aangetrokken. Eén van zijn laarzen steekt nog een stuk in de modder. Hij ligt op zijn buik, met zijn armen omhoog. Het is het beeld zoals je je het zou voorstellen, van een onschuldige man die laf in de rug wordt geschoten. Een vrouw komt huilend naar ons toegelopen. ‘Papa, mijn papa. Oh, mon Dieu, mijn arme papa!’. Ze valt huilend en jammerend naast het lichaam van haar vader neer. Niemand neemt haar vast, niemand lijkt haar te zullen troosten. Ik voel me zelf hulpeloos. Een tweede vrouw sluit zich bij haar aan. Ze huilt en jammert mee. Het lijkt wel alsof ze daarmee een gebaar van troost wil tonen.

Jean-Paul maakt duidelijk dat we beter verder gaan. We stappen richting het tweede lichaam, wanneer mensen plots in de tegenovergestelde richting begint te lopen. ‘Wat gebeurt er?’, vraag ik aan Jean-Paul. ‘Geen idee. Maar snel, we zijn hier weg! Wie weet zit er toch nog een rebel in de wijk.’. Ik wil nog zeggen dat het misschien een geval van groepspaniek is, maar besef dat je op zo’n dagen beter een keer te veel wegloopt, dan eens te weinig. We gaan terug naar het bureau van CRDH, waar Jean Baptiste er ondertussen erg aangeslagen bijzit. ‘Ik heb het moeilijk.’, bevestigt hij, wanneer ik hem vraag of hij wel ok is. Ook Papy, de gewezen secretaris van de voetbalploeg die we tot twee jaar geleden nog in de competitie van Mama Kivu hadden, is in het kantoor aangekomen. ‘Ik woonde daar. De eerste vrouw die vandaag werd gedood was mijn buurvrouw. Ik dronk er elke ochtend thee. Ik kan het nog steeds moeilijk geloven.', zucht hij. 'Ik ben er weggegaan, nadat het gevaar in 2014 te dichtbij kwam. De wijk was toen al eens aangevallen. Ik zei het nog tegen de chef, haar man, dat ze ook beter zouden vertrekken. Maar een chef die zijn buurt in de steek laat, dan kon volgens hem niet.’ Papy schudt zijn hoofd. De titel van chef is een erfelijke titel. Vandaag zijn ze nog steeds het aanspreekpunt voor alles wat goed en slecht gaat in de buurt. Een chef wordt gerespecteerd, en ik begrijp dat je buurt achterlaten, je titel en eer verloochenen is.

Richard van radio Moto blijkt nog ter plaatse te zijn. Ik vraag hem wat er aan de hand is, waarom de mensen begonnen te lopen. ‘Helemaal niets. Ik stond helemaal vooraan, bij het eerste slachtoffer. Mensen begonnen te lopen, maar ik zag helemaal niets. Waarschijnlijk werden enkele kinderen weggejaagd, en heeft dat tot één of andere groepsreactie geleid.’, verklaart hij aan de telefoon. Gelukkig maar. Richard komt me halen en we gaan samen terug. We starten dit keer bij het eerste lichaam, dat van de vrouw van de chef, de buurvrouw van Papy. Ze viel tussen de bananenbomen, vlakbij wat struikgewas waar ze zich vermoedelijk wilde verschuilen. Een groep vrouwen huilt en de chef zit verslagen aan de voeten van zijn vrouw. Hij bergt zijn hoofd in zijn handen. Ik kijk naar Richard en vraag me af wat ik hier doe. Twintig meter verderop ligt een tweede vrouw. Ze zou mijn leeftijd kunnen hebben. Ze blijkt inderdaad dertig jaar oud, en is moeder van vier kinderen. Richard legt aan wat mensen uit uit wie ik ben en wat ik doe. De moeder van het slachtoffer stort meteen haar hart uit. ‘Wij hebben nooit iemand misdaan. Waarom dan toch?’, huilt ze. Ze toont de wonde in de borst van haar dochter. ‘Toon dit a.u.b., daar bij jou, aan die andere blanken. Help ons!’. ‘Zie je wel!’, zegt Richard, ‘Ze willen dat je dit ziet.’

Ik zie de vele rouwende mensen, naast het lichaam van hun vader of moeder, zoon of dochter. Een jonge moeder ligt waar ze gevallen is. Haar zoontje van een jaar of vier en een dochter van misschien zeven, staan naast haar lichaam. Ik zie in de blik van het meisje dat ze oud genoeg is om het te begrijpen. Het jongetje weet niet goed wat er gaande is, maar ik zie de schrik in zijn ogen voor iets wat hij vandaag nog niet begrijpt, maar toch altijd zal meedragen. In een kleine kookshelter liggen twee lichamen. Een vrouw in een jas van valse bont, heeft zich tevergeefs willen verschuilen onder de zakken steenkool. Een man die dezelfde plaats was binnen gelopen, kreeg hetzelfde lot beschoren. Wat verderop vinden we opnieuw twee mensen wiens schuilplaats geen bescherming kon bieden. Het is een ware executie geweest. Eén man vinden we dan toch wat opgebaard in zijn eigen huis. ‘Hij was hier in de deuropening gedood, en we hebben hem wat verlegd.’, zegt zijn zoon me verontschuldigend. Richard legt me uit dat men de lichamen niet mag verplaatsen zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten. ‘Maar waar blijven die autoriteiten dan?’, vraag ik hem verbaasd. De zoon van het slachtoffer vraagt of hij een boodschap mag meegeven. ‘Natuurlijk.’, antwoord ik hem. Hij haalt zijn beste Frans boven en legt uit hoe ze niet weten waar ze heen moeten, hoe de vijand niet bekend, en haar motieven nog minder. Hij vraagt aan België, aan Europa, aan de internationale gemeenschap om hen te helpen en dit te onderzoeken. ‘Vandaag is nog niemand van onze overheid of veiligheidsdiensten langsgekomen om de schade op te meten. De VN-basis is op vier kilometer van hier en die van het leger op één. Maar waar zijn ze?’. De man blijft doorpraten, en ik durf hem niet te stoppen. Hij verloor vandaag zijn vader en weet nog niet waar hij die nacht zal slapen. Wie ben ik om te zeggen dat zijn woorden volstaan?

Het is ondertussen al vier uur in de namiddag, en ik begrijp niet waarom de lichamen nog steeds in de modder liggen. De hete zon schijnt ondertussen al enkele uren op de lichamen, en over twee zet de avond in. Bij het achtste slachtoffer, een vrouw van veertig, heeft men dan toch beslist zelf tot de berging over te gaan. Haar enige kind, een zoon van twintig, blijkt een journalist van een lokale radio te zijn. Met tranen in zijn ogen, legt hij me uit dat ze misschien wel beschuldigd kunnen worden van medeplichtigheid, door het lichaam zonder toestemming te bergen. ‘Maar niemand is komen opdagen. Ik kan mijn moeder hier niet langer laten liggen.’ Een lichte vrachtwagen voert een kist aan. Zoals het de gewoonte is, is de kist bekleed met papier met een kleurrijke print. De vrouw wordt in doeken gewikkeld en in de kist gelegd. De familie klimt in de open laadbak. Zo wordt dan toch het eerste lichaam, op een respectvolle manier, weggedragen.

Richard en ik gaan terug naar het bureau van CRDH. Vlakbij staan honderden mensen samengepakt. Enkele militairen kijken vanop een afstand toe. Mensen zijn op het dak geklommen om te zien wat er gaande is. Ik word bij de arm genomen en door de massa geloodst. ‘Het leger heeft de achtervolging nog kunnen inzetten, en ze hebben wel tien rebellen kunnen doden.’, zegt een onbekende man me enthousiast, ’Ze hebben er ééntje meegenomen als bewijs.’. Een meisje van een jaar of zestien ligt op de grond. Ze werd ontdaan van haar kleren. Een soldaat wil nog snel een foto nemen van zijn prooi, en schikt haar hoofd, met harde hand, in een betere positie. Ik ben gedegouteerd. Is dit die vijand? Is zij voor die militairen het bewijs dat ze deden wat ze konden. Deze ochtend sprak ik nog met een jongen die gisteren kon ontsnappen toen een groep gewapende mannen in militair uniform, met een rode band rond het hoofd geknoopt, hem wilde ontvoeren, op de terugweg van zijn akker. Een man en een vrouw hadden minder geluk en werden meegenomen. Hij ging rechtstreeks naar de basis van het leger, en vertelde daar wat hij gezien had. Hij werd drie uur vastgehouden zonder enige uitleg. Rond 20u lieten ze hem gaan. Ze beloofden hem dat ze er alles zouden aan doen om die mannen te stoppen. Hij moest de informatie wel voor zich houden, om de bevolking niet nodeloos bang te maken. Blijkbaar zouden de militairen hun vrouwen vervolgens in veiligheid hebben gebracht. De bevolking wist ze in elk geval niet te beschermen. De mannen kunnen dan wel vergezeld geweest zijn van vrouwen, en zelfs kinderen, de trotse prooi, het meisje van zestien, overhandigd aan een boze massa, lijkt me weinig om trots op te zijn. De manier waarop de bevolking wordt uitgenodigd om haar frustraties op dit lichaam af te reageren, is verwerpelijk. Ook Richard en Jean Baptiste kijken met schaamte naar wat hier gebeurt. ‘Zie je. Dit is Congo.’, zucht Jean Baptiste.

De volgende dag vernemen we dat de vrouw die de dag voordien ontvoerd werd, kon ontkomen. Ze moest de rebellen info geven over de wijk en de toegangswegen. Ze kon ontkomen toen de mannen schuilden voor de regen onder plastiek zeilen, en ze zelf in de regen moest blijven zitten. Ze maakte gebruik van hun beperkte zicht om te ontkomen. De man die samen met haar ontvoerd werd, werd later die dag dood teruggevonden. Zo kwam de teller van die aanval alsnog op 10 burgerslachtoffers te staan, plus één slachtoffer aan de kant van de rebellen. Voor heel wat mensen is hun leven weer een harde klap toegebracht. Met de matras op hun rug gebonden, zochten ze, met een bonkend hart, een nieuwe schuilplaats, niet wetend welke verschrikkingen het leven hen nog zou brengen.

Reacties

 

Steun Beni Files

Beni Files